De echte lessen van Vietnam

Door Nick Ottens op 06 nov 2009.

vietnamoorlog-door-larry-burrows-voor-life-1966

“Wanneer het op de Vietnamoorlog aankomt heeft veel verdraaid en onjuist commentaar ons begrip van dat conflict en diens uitkomst gehinderd,” zo beweert Lewis Sorley, voormalig CIA-medewerker en thans militair historicus. De schaduw van Vietnam heeft over elke oorlog die de Verenigde Staten erna hebben gevoerd gehangen en de huidige operatie in Afghanistan is wat dat betreft geen uitzondering.

Vergelijkingen met de Sovjetinvasie van de jaren tachtig en de Amerikaanse inmenging in Zuidoost-Azië van de jaren zestig en zeventig worden graag gemaakt, met name door tegenstanders van de westerse aanwezigheid in het Midden-Oosten. Het is immers gemakkelijk om nederlagen uit het verleden in herinnering te brengen om het debat te beïnvloeden in plaats van met daadwerkelijke argumenten te komen.

Eerder noemde ik al enkele redenen waarom een dergelijke vergelijking niet helemaal opgaat: “De vijand van vandaag de dag, de Taliban, worden niet financieel en materieel door een supermacht ondersteunt zoals de moedjahedien en de Vietcong respectievelijk op de steun van de Verenigde Staten en China konden rekenenen. De vergelijking gaat ook geheel voorbij aan de aanzienlijke vooruitgang die geboekt is op technologisch gebied: satellietcoördinatie en precisiebombardementen kunnen het aantal burgerslachtoffers dat altijd te betreuren valt tot een minimum terugbrengen terwijl verbeterde transport- en communicatielijnen ervoor zorgen dat gewonde soldaten zo snel mogelijk medische zorg ontvangen opdat ook onder hen zo weinig mogelijk doden vallen.” Ten slotte resulteerden zowel de Vietnamoorlog als het Russische avontuur in Afghanistan in uitputtingsslagen omdat geen van beide een waar doel voor ogen had. De NAVO-missie in Afghanistan daarentegen poogt tegelijkertijd een basis van terrorisme te vernietigen en een stabiele en gematigde Afghaanse staat in het leven te roepen. Dat is geen gemakkelijke opgave en het is helaas goed mogelijk dat niet beide doelstellingen zullen worden bewerkstelligd, maar de oorlog is daarom geenszins uitzichtloos.

Sorley voegt daaraan toe dat geschiedenissen van de Vietnamoorlog tot nog toe teveel aandacht hebben gehad voor de vroegere periode van het conflict. Nadat echter Generaal Creighton Abrams in 1968 het bevel over de Amerikaanse troepen in Vietnam op zich nam voltrokken zich een aantal aanzienlijke veranderingen in strategie. “Deze veranderingen kwamen voort uit zijn begrip van de aard van de oorlog en zijn overtuiging dat het verbeteren van de Zuid-Vietnamese strijdkrachten alsmede het uitroeien van de verborgen infrastructuur van de vijand in dorpen en gehuchten evenveel aandacht moest krijgen als krijgsoperaties.” Zijn voorganger had het aantal soldaten in Vietnam tot meer dan een half miljoen laten oplopen terwijl de mate van succes beoordeeld werd op basis van weinig meer dan body counts. Ondanks schrikbarende verliezen aan Noord-Vietnamese zijde werd de oorlog een ware hel voor de Amerikanen. De opbouw van het Zuid-Vietnamese leger werd genegeerd terwijl de vijand nauwelijks structurele schade leed. Abrams bracht daar verandering in ten tijde van de terugtrekking van honderdduizenden troepen.

Toen het Paasoffensief van 1972 kwam wisten de Zuid-Vietnamezen, met steun van Amerikaanse bombardementen, een invasiemacht van bijna tweehonderdduizend soldaten af te slaan. Het succes werd grotendeels gewijd aan de betrokkenheid van de Amerikaanse luchtmacht maar Abrams was het daar niet mee eens. “De Vietnamezen moesten standhouden en vechten,” zei hij. Hadden zij dat niet gedaan dan had “tienmaal de kracht die wij hebben” de Noord-Vietnamezen niet kunnen tegenhouden.

Toen de laatste Amerikaanse soldaten een jaar later het land verlieten beschikte Zuid-Vietnam over een redelijk stabiele regering en een gezonde krijgsmacht welke, indien de Verenigde Staten hun toezeggingen hadden nagekomen, hernieuwde agressie uit het Noorden had kunnen weerstaan. Deze toezeggingen behelsden financiële en materiële ondersteuning en de inzet van de Amerikaanse luchtmacht indien Zuid-Vietnam wederom ten prooi zou vallen aan een invasie. Toen het moment daar was deinsde het Congres echter terug: het enorme offer dat vele tienduizenden Amerikaanse en Zuid-Vietnamese soldaten in de voorgaande jaren hadden gebracht werd daarmee in één klap nutteloos verklaard. Twee jaar na de Parijse Vredesakkoorden viel Saigon en was de oorlog verloren.

De werkelijke les van Vietnam is niet dat een moeizame oorlog bij voorbaat tot mislukken is gedoemd. De werkelijke les is dat een onjuist begrip van de aard van een conflict leidt tot een uitzichtloze voortzetting van een strijd waarvan de doelstellingen en het nut velen ontgaan. De zogenaamde “Vietnamisering” van de oorlog, waar Generaal Abrams in belangrijke mate vorm aan gaf, kende succes. De Amerikaanse terugtrekking als zodanig was niet verantwoordelijk voor de uiteindelijke Zuid-Vietnamese nederlaag; verantwoordelijk waren de Amerikaanse beleidsmakers die indertijd, oorlogsmoe en onberaden, weigerden zich nog verder in te spannen om de vrijheid en de onafhankelijkheid van een land en volk te beschermen waarvoor reeds zo velen hadden moeten sterven.

Foto door Larry Burrows voor Life, 1966.

Reageren is niet mogelijk.