
“Zelfs de VVD-kiezer wenst nivellering,” kopt Vrij Nederland (70, (10-10-2009) 13) deze week in en aangenaam nieuwe uitvoering. Waar partijleider Mark Rutte het voorstel van zijn tegenpool Mariëtte Hamer om zogenaamde topinkomens voortaan met zestig in plaats van tweeënvijftig procent te belasten een “straf op succes” noemt schijnt een kleine meerderheid van zijn achterban best wat te voelen voor zo een maatregel. Zelfs bij de topinkomens zelf (dat is iedereen die meer dan € 47.600 per jaar verdient blijkbaar) is meer dan de helft bereid in te leveren.
Johan Remkes, oud-minister van binnenlandse zaken en thans fiscaal specialist van de Tweede Kamerfractie van de VVD, laat zich gelukkig niet van de wijs brengen. Zie je nu, zegt Remkes, de VVD is er niet alleen voor de “rijke mensen.” Trouwens, het probleem zit ‘m niet in de salarissen; het zijn de bonussen die aangepakt moeten worden. We hebben toch niet voor niets het toptarief van 72% een paar jaar geleden afgeschaft?
Dat de meeste Nederlanders sympathie hebben voor Hamers plan moet de VVD weinig deren. Afgezien van de minderheid die ook politieke vertegenwoordiging moet kunnen vinden mag de vraag gesteld worden of de meerderheid wel gelijk heeft. Is een belastingverhoging voor mensen die meer dan modaal verdienen rechtvaardig? Dat Nederland reeds een progressief belastingstelsel kent maakt deze vraag des te prangender.
De discussie komt uiteindelijk neer op de vraag of de aanname dat de “breedste schouders” de “zwaarste lasten” dienen te dragen juist is. Rutte noemt Hamers belastingzucht niet voor niets een “jaloeziebelasting.” Het fundament van haar sociaal denken deugt namelijk niet.
In een rechtvaardigde maatschappij hebben mensen gelijke kansen op succes—een ideaalbeeld dat de PvdA wel deelt. Maar wat betekent die gelijkwaardigheid wanneer succes wordt afgestraft ten bate van de “zwakkeren in de samenleving”? Wat betekent succes wanneer de keerzijde ervan een kleingeestige mentaliteit is die van overheidswege wordt ondersteund?
Remkes stelt terecht vast dat buitensporige beloningen een probleem vertegenwoordigen: in de eerste plaats voor het bedrijfsleven zelf. Echter deel van de reden dat bonussen bestaan en reden dat zij zo hoog zijn is dat de mensen die hen ontvangen maar liefst de helft van hun reguliere inkomen linea recta aan de fiscus mogen doorspelen. Mensen willen graag geld verdienen en daar is niets mis mee. Mensen die succes kennen willen dat graag erkend zien en ook daar is niets mis mee: een uitmuntende prestatie verdient een excessieve beloning wat anderen aanmoedigt naar hetzelfde te streven. “Gelijkheid in beloning,” daarentegen, “ontneemt individuen het morele recht op de vruchten van hun arbeid,” schrijft de Leidse econoom Auke Leen. “Als een individu het recht heeft op zijn eigen leven, heeft hij ook het recht dat in stand te houden: op de vruchten van zijn eigen arbeid.”
De PvdA kiest ervoor om succes zwaarder te belasten waarmee het mensen die excelleren afstraft; mensen van kennis en kunde die dankzij hun intelligentie en inspanningen meer verdienen dan de norm is. Zij steken boven het maaiveld uit. De VVD begrijpt dat zij de motor van de economie zijn en de architecten van vooruitgang—om maar te zwijgen van hun morele recht op in ieder geval het merendeel van “de vruchten van hun arbied.” De Partij van de Arbeid, aan de andere kant, hakt hen keer op keer de kop af uit naam van een vaag en misvormd idee van rechtvaardigheid.