
Het Amerika-centrische denken van voorname Amerikaanse strategen inzake Afghanistan lijkt onverstoorbaar. De Chinezen dragen al meer bij, Rusland wil een grotere rol spelen en India verhoogt de ontwikkelingshulp naar $1,2 miljard waarmee het na de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Japan en Canada de meest financieel betrokken mogendheid in Afghanistan is. Maar het debat in de Verenigde Staten draait enkel om de Amerikaanse rol en om de vraag wat Amerika moet doen. Zowel de BRIC-landen, die, wellicht met uitzondering van Brazilië, allen inzien dat Afghanistan niet in de huidige staat kan worden achtergelaten, als de NAVO lijken vooralsnog totaal genegeerd te worden.
De regering Obama leek goed op dreef. Minister van buitenlandse zaken Hillary Clinton verwoordde een ambitieuze doelstelling toen zij toegaf dat de Verenigde Staten niet alle problemen in de wereld zelf kunnen oplossen. Zij nam nadrukkelijk afstand van het beleid van de vorige regering en pleitte voor een multilaterale aanpak.
Desondanks blijft de regering steken in een irrationele Chinafobie die alleen maar wordt aangewakkerd door opiniemakers. En ondanks een poging om de banden met Rusland te verbeteren schreeuwde iedereen moord en brand toen twee Russische onderzeeërs plots voor de kust van Noord-Amerika verschenen: een beschamende vertoning die het deed voorkomen alsof de Koude Oorlog nog niet ten einde was gekomen. Dat de Chinese aanwezigheid overzees slechts dient ter versterking van de Chinese handelsbelangen wordt simpelweg vergeten en dat het Russische avonturisme slechts dient ter verhulling van een bedroevende militaire zwakte wordt nauwelijks verteld. In plaats daarvan wordt Obama “zwakte” en “toegeeflijkheid” verweten en hunkeren rechtse commentatoren naar herleving van het tijdperk Bush. Dat juist onder die vorige president de banden met China en Rusland zijn verwaarloosd zijn zij blijkbaar snel vergeten.
Niet alleen China en Rusland, maar ook Brazilië, India en continentaal West-Europa nemen stilaan afstand van de Amerikaanse koers terwijl zelfs de nieuwe regering van Japan voorzichtig heeft aangekondigd Washington niet meer blindelings te zullen volgen. Desalniettemin wordt de Sjanghai Samenwerkingsorganisatie nooit genoemd wanneer het op Afghanistan aankomt terwijl de leden ervan waarschijnlijk het meeste belang hebben bij een stabiele democratie in het Midden-Oosten. Naar de NAVO-bondgenoten wordt nu pas, na acht jaar strijd, meer geluisterd maar dat India, laat staan een schurkenstaat als Iran, wellicht een rol kan spelen bij de beslechting van de strijd lijkt voor de meeste Amerikaanse beleids- en opiniemakers ondenkbaar.
Dit artikel verscheen op 27 september op De Dagelijkse Standaard.