
De Japanse Liberaal Democraten hebben, zoals verwacht, een verpletterende nederlaag geleden in de parlementsverkiezingen van dit weekend. “De stedelijke elite is al langer ontevreden,” schreef ik enkele weken geleden over de partij die sinds de Tweede Wereldoorlog bijna onafgebroken heeft geregeerd. “Nu brokkelt ook haar aanhang op het platteland af waardoor de voornaamste mededinger, de Democratische Partij” nu heeft kunnen zegevieren.
De Democraten zouden ideologisch gezien niet bijzonder veel van de regeringspartij moeten verschillen. Beide zijn liberaal en daarmee voorstander van een zo vrij mogelijke markt. In de praktijk valt dat vies tegen. De Liberaal Democraten hebben op de wereldwijde recessie naar goed Keynesiaans gebruik gereageerd: met $270 miljard aan investeringen in publieke werken. Het effect ervan is tot nog toe nauwelijks kenbaar. Ondertussen schieten zowel de staatsschuld als de vergrijzing onverstoorbaar omhoog.
De Democratische Partij heeft zich in het verleden uitgesproken tegen een grote overheid en tegen verregaande staatsbemoeienis maar tijdens de verkiezingscampagne werd hier niet bepaald de nadruk op gelegd. In tegendeel, beide partijen distantieerden zich van het beleid van de charismatische en populaire oud-premier Junichiro Koizumi. Zijn aanpak wordt nu verantwoordelijk gesteld voor de groeiende inkomensongelijkheid en beide partijen pleitten voor uitbreiding van de sociale zekerheid. Robert Feldman, econoom in Tokio voor de zakenbank Morgan Stanley, besluit: “Het is onduidelijk of één van de twee partijen een economische filosofie aanhangt anders dan, laten we meer uitgeven.” Dat is een weinig geruststellende boodschap voor ’s werelds tweede economie.