
Nog niet zo lang geleden werd de Venezolaanse alleenheerser Hugo Chávez nog wel eens als een goedwillende socialist geëxcuseerd maar sinds hij in januari 2007 zijn parlement een machtigingswet liet aannemen en in augustus van hetzelfde jaar zijn presidentiële ambtstermijn tot in het oneindige trachtte te verlengen kan toch nauwelijks meer getwijfeld worden aan de autoritaire ambities van “Orkaan Hugo.”
Niet alleen in politiek opzicht verstevigt Chávez zijn greep op het Zuid-Amerikaanse land. Al in 2007 trok hij zich terug uit zowel het Internationaal Monetair Fonds als de Wereldbank en een jaar later nationaliseerde hij de olie-industrie. Olie is namelijk Venezuela’s voornaamste bron van inkomsten en een dalende olieprijs brengt Chávez zijn geliefde Bolivariaanse missies in gevaar. Hij zoekt daarom steun bij China dat maar al te graag opstapt om Zuid-Amerikaanse landen in de problemen bij te staan.
En China is niet de enige die graag de banden met Venezuela aanhaalt. In Rusland koopt Chávez vrolijk onderzeeërs en met Cuba onderhoudt het uiteraard een gezellige vriendschap.
Echter in eigen land wordt Chávez niet alom meer geprezen. Zijn president-voor-het-leven-droom werd door felle protesten en een referendum eind 2007 verbrijzeld waarop hij aankondigde in 2013, wanneer zijn huidge termijn ten einde komt, te zullen aftreden. Een tweede referendum een jaar later haalde het alsnog, doch met een nipte meerderheid. Ook vanuit de krijgsmacht klinkt weerstand. Chávez voert daarom een rigoreuze campagne om zijn controle over het leger veilig te stellen. Niettemin suggereren deze ontwikkelingen dat het van een ware dictatuur waarschijnlijk niet maar zal komen in Venezuela.
Dit artikel verscheen op 30 mei op Sargasso.