Syrië is de moeite niet waard

Door Nick Ottens op 29 apr 2009.

Te midden van alle onrust in het Midden Oosten—oorlogen in Afghanistan en Irak, chaos in Pakistan, chaos om Iran, een nieuwe regering in Israël en een wat eigenaardige regering in Turkije—is het gemakkelijk om één land dat zich nu wat rustig houdt, te vergeten: Syrië. Toch speelt dit land niet alleen geografisch een sleutelrol in de regio.

Syrië is al jaren met Israël in aanvaring om de Golanhoogten die de regering van Benjamin Netanyahu geenszins bereid lijkt op te geven. Het land steunt Hezbollah en wakkert daarmee al jaren keer op keer geweld aan in zowel Israël als in Libanon. Syrië grenst aan Turkije en daar is de laatste helemaal niet zo gelukkig mee, mede om de onzekere bondgenootschap tussen Syrië en Iran. Turkije heeft in antwoord op de vermeende atoomambities van Iran de wens uitgesproken ook kernwapens te vergaren. Met Egypte en Jordanië, waarmee het in het verleden tezamen de wapens opnam tegen Israël, onderhoudt Syrië ook geen bijzondere vriendschap meer: al onder de vader van de huidige president, Hafez al-Assad, vervreemde het van beide omwille van de gematigdere opstelling van de president van Egypte destijds, Anwar El Sadat. Syrië ging vervolgens tal van terreurbewegingen steunen, waaronder Hamas, Hezbollah en de Koerdische PKK (wat in 1998 bijna tot een oorlog met Turkije leidde), en het begon een terreurcampagne van zichzelf, tegen Libanon.

De verhoudingen tussen Israël en Syrië zijn nimmer bijzonder vredig geweest. Al vanaf de stichting van Israël heeft Syrië tegen haar oorlog gevoerd en daardoor heeft het tot tweemaal toe gebied verloren. Tot op de dag van vandaag vormen de Golanhoogten een heikel punt tussen beide; Israël bood keer op keer aan de hoogvlakten op te geven in ruil voor een vredesakkoord maar keer op keer eiste Assad senior meer dan Israël bereid was te geven. Na diens dood gloorde even de hoop dat Syrië onder het bewind van zijn zoon zou hervormen. Aan deze hoop kwam al snel een einde. Bashar al-Assad beledigde Israël, vervreemde Egypte nog verder van zijn land en ontmoette persoonlijk met de leider van Hezbollah—iets dat zelfs zijn vader nooit deed.

Met één ander land in het Midden-Oosten kan Syrië het wel goed vinden: Iran. Het idee bestaat dat de alliantie tussen beide landen een tijdelijke is die voornamelijk berust op gedeelde vijanden. Immers, Syrië is Arabisch, seculier en voornamelijk soennitisch terwijl Iran graag haar Perzische identiteit benadrukt, een theocratisch regime kent en overwegend sjiitisch is. Beide zouden oorspronkelijk tot elkaar gebracht zijn door hun gedeelde afkeer van Saddam Hoessein; nu zou hun antiamerikanisme hen bijeen houden. Dus, wanneer de coalitietroepen zich uit Irak terugtrekken, moeten Syrië en Iran in aanvaring komen: de één wil macht aan de soennieten die het onder Saddam voor het zegen hadden; de ander steunt de sjiitische meerderheid. Deze analyse gaat echter niet helemaal op. Syrië werd pas echt warm voor Iran toen de ayatollahs aan de macht kwamen die zich van het Westen in het algemeen en van Israël en de Verenigde Staten in het bijzonder distantieerden—ondanks de verschillen in religieuze leer. Daarnaast vonden beide in Libanon overeenstemming waar zij zich gedurende de jaren tachtig tegen de Israëli’s verzetten en tot op de dag van vandaag Hezbollah ondersteunen. Zoon Assad heeft de banden met Iran alleen meer versterkt middels handelsakkoorden, buitenlandse investeringen, grotendeels vanuit de staat gedirigeerd, en samenwerking op nucleair gebied. De Syrische kernreactor die Israël vernietigde zou met Iraanse steun in het geheim weer zijn opgebouwd. Geen reden dus om aan te nemen dat deze kleine as des kwaads binnenkort verbroken wordt.

Ondanks Assads amateurisme, zijn tal van provocaties en zijn nucleaire ambities heeft hij tot dusver schijnbaar geen represailles hoeven te slikken. Gezien de invallen waar Afghanistan en Irak slachtoffer van werden en de diplomatieke tirades die Iran te verduren kreeg is het verwonderlijk dat de regering Bush geen enkele actie tegen Syrië lijkt te hebben ondernomen. Deel van de reden hiervoor is dat Washington ervan uitging dat een directe confrontatie met Damascus Assad ten val zou brengen en de Amerikanen niet zo zeker waren of verandering van leiderschap was wat Syrië nodig had. Dus werd voortgezet op een diplomatieke koers waarbij zelfs een groot beoefenaar ervan, Martin Indyk, ambassadeur in Israël ten tijde van Clinton, in een verklaring voor het Congres vraagtekens plaatste.

Just about every leader that has attempted to deal with President Bashar al-Assad has come away frustrated. The list includes Colin Powell, Tony Blair, Nicolas Sarkozy, Hosni Mubarak and Saudi Arabia’s King Abdullah. The cause of their frustration is the disconnect between Assad’s reasonableness in personal meetings and his regime’s inability or unwillingness to follow through on understandings reached there. It is unclear whether this is because of a lack of will or a lack of ability to control the levers of power. Either way, it raises questions about the utility of a policy of engagement.

Niettemin vond Indyk het “de moeite waard” om met Syrië te onderhandelen en dat is precies wat de nieuwe Amerikaanse regering lijkt te willen doen. De oud-diplomaat stelt tegelijkertijd vast dat het zeer onwaarschijnlijk is dat enige toenadering de Iraans-Syrische bondgenootschap verzwakt; iets dat iedereen graag wil, met name omdat de twee atoomgeheimen vrolijk lijken uit te wisselen.

Wat voor reden hebben Israël en de V.S. dan om überhaupt met Syrië om de tafel te gaan zitten? Wel, er is de mogelijkheid dat Assad instemt met een akkoord dat zijn land de Golanhoogten terugwint. Echter het is niet moeilijk voor te stellen hoe een “gedemilitariseerde” hoogvlakte door Hezbollah wordt geïnfiltreerd waarop Syrië de demilitarisatie als excuus kan gebruiken om of niets te doen, of om het gebied te her-militariseren.

De conclusie die getrokken moet worden is dat met de huidige opstelling van Syrië diplomatieke toenadering de moeite niet waard is. Het land weigert nog altijd resoluut Israëls bestaansrecht te erkennen; Libanons soevereiniteit te respecteren; en haar banden met terrorisme op te geven. In tegendeel, sinds het aantreden van Assad junior zijn de zaken er alleen maar slechter op geworden. Door nu met Syrië de dialoog aan te gaan lopen Israël en de V.S. het risico als zwak en toegevend te worden gezien; besluit de één wel tot toenadering en de ander niet, dan ondermijnt dit de bondgenootschap tussen beide die dankzij Iran toch al onder druk staat.

Dit artikel verscheen op 16 september op De Dagelijkse Standaard.

Reageren is niet mogelijk.