In “India’s New Face” introduceert Robert D. Kaplan meneer Narendra Modi, de opperste minister van Gujarat: de meest zuidwestelijke provincie van India. Gujarat is economisch in opkomt maar wordt geplaagd door spanningen tussen een hindoeïstische meerderheid en een moslimminderheid. “De hindoe-moslim kloof is hier erger dan gedurende enige tijd sedert de verdeling” van India en Pakistan aldus historicus Dwijendra Tripathi. De rellen van begin 2002 hebben die kloof enorm verbreed.
Gujarat’s heightened religious tensions stem from “2002,” as it is simply called by everybody in Gujarat and the rest of India. In the local lexicon, that year has attained a symbolism perhaps as resilient as the force of “9/11” for Americans. It connotes an atrocity that will not die, a sectarian myth-in-the-making that constitutes a hideous rebuke to Gandhi’s Salt March.
De tragedie versterkte het hindoeïstisch nationalisme dat reeds gegrond was in Gujarat. Dit is geen onderklasse-fenomeen dat slechts door angst wordt gevoed; in tegendeel, de tal van bewegingen die tot op verschillende hoogten “extreem” te noemen zijn, zijn juist onder de middenklasse sterk die middels onderwijs en Internet bekend is geraakt met haar geschiedenis.
In the eyes of this new, right-wing cadre of middle- and upper-middle-class Hindus, India was a civilization before it was a state, and while the state has had to compromise with minorities, the civilization originally was unpolluted (purely Hindu, that is)—even if the truth is far more complex.
Narendra Modi vertegenwoordigt deze mensen en wordt omwille van zijn islamkritiek door sommigen zelfs een “fascist” genoemd. Dat gaat wellicht wat ver maar zeker is hij het hindoenationalisme heeft omarmd en er bij gedijd. Klik hier voor het hele artikel over de man die wel genoemd wordt als mogelijk toekomstig leider van India.